ARCHIEF

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1997

« Johan Nijenhuis over Toscaanse BruiloftBoychoir *** »

TRACKS: ROBYN DAVIDSON

8

mei

2014

Waarom zou een jonge vrouw te voet tweeduizend kilometer door de woestijn van westelijk Australië afleggen? Waarom níet?, was het simpele antwoord dat Robyn Davidson altijd heeft gegeven sinds ze in 1977 in gezelschap van vier kamelen en een hond een tocht maakte die velen als onmogelijk – of op z’n minst krankzinnig – beschouwden.

Twee jaar later beschreef ze haar reis in ‘Tracks’, inmiddels een klassieker in de reisliteratuur, een boek dat de doorsnee leunstoelreiziger nog altijd rode konen van opwinding bezorgt; om de lyrische beschrijvingen van onherbergzame, genadeloze landschappen, om Davidsons diepe genegenheid voor haar dierlijke reispartners, en om de jeugdige, wat hoekige analyses van misstanden in haar vaderland die dat landschap en z’n oorspronkelijke bewoners treffen.
Maar bovenal misschien wel om de radicaliteit en consequente koppigheid waarmee Davidson haar avontuur aanpakte.

Op 25-jarige leeftijd arriveerde ze, met hond, per trein in Alice Springs, in het ‘rode hart’ van de Australische outback. Pas twee jaar later was haar voorbereiding om richting de westkust aan de Indische Oceaan te vertrekken, voltooid: leren omgaan met weerbarstige kamelen, pakdieren die ooit door Afghaanse handelaren op het continent zijn geïmporteerd, vergt nu eenmaal tijd.

Davidson was een typisch kind van haar tijd; opgegroeid met de welvaart van de jaren zestig sloot ze zich als ongedurige studente aan bij the Push, een groep maatschappelijk geëngageerde bohémiens in Sydney. Die omgeving voldeed blijkbaar niet aan haar wens zich los te maken van consumentisme en conformisme.
Misschien had de zelfmoord van haar moeder, op Davidsons elfde, er iets mee te maken. Dat haar vader in de jaren dertig uitgebreid door Afrika had gereisd, zal ongetwijfeld een inspiratie zijn geweest.
Hoe het ook zij: de tocht zat in haar kop, zo simpel was het.

Davidson is een mooie nuchtere tegenpool van haar mannelijke, onbesuisdere evenknie Christopher Johnson McCandless, de jongeman die zich, zoals gereconstrueerd in boek en film ‘Into the Wild’, meer door romantische symboliek liet leiden. McCandless liet begin jaren negentig zijn auto achter en verbrandde zijn bankbiljetten voordat hij de wildernis van Alaska in trok – en er overleed.

‘Avontuur’ is misschien ook Davidsons woord helemaal niet. Op geen enkele pagina in het boek is ze op zoek naar een kick, heroïek of een manier om zich te bewijzen. Haar drijfveer lijkt eerder een nederige, mentale afdaling te zijn; ballast afschudden, loslaten, afpellen en gewoonweg: alleen zijn.
Het enige menselijke gezelschap dat ze langer dan een paar dagen naast zich duldt is dat van een oudere Aboriginee, Eddie, een man met wie ze verbaal nauwelijks kan communiceren maar die haar kijk op tijd en ruimte blijvend zal veranderen.

Veelzeggend - en bijzonder grappig - is de hortende relatie die ze ontwikkelt met de fotograaf van National Geographic, het tijdschrift dat haar reis sponsort. In de negen maanden die zij lopend doorbrengt vliegt Rick Smolan een paar keer, lichtelijk gehaast, in om Davidson tegen veranderende decors vast te leggen. ‘Even lachen!’ Klik-klik.
Joviale gast Smolan zit in zijn Landcruiser, luistert naar popmuziek en leest romannetjes. Van de woestijn snapt hij niks, moppert Davidson in haar boek.

Hun onvermijdelijke seksuele relatie noemt ze een vergissing, hem een ‘een molensteen om mijn nek’. Ja natuurlijk, de foto’s die Smolan nam en van haar een internationale bekendheid maakten, waren prachtig, “maar in essentie zijn het foto’s van zijn reis, niet de mijne.”

Hoe kan het ook anders? De foto’s – en dus ook de film – zijn een veruiterlijking van iets wat zich niet laat vangen in beelden, op z’n best in zorgvuldig gekozen woorden. Het meest schokkend én ontroerend is de fase, naar het einde van de tocht, waarin Davidson naar eigen zeggen volledig ‘gedeprogrammeerd’ raakte.

Misschien beschrijft ze wel een delirium: haar pijngrens fors opgerekt, haar sociale decorum kwijt, brengt ze de dagen naakt door (haar kleren waren smerig en overbodig). Haar lichaam is gehavend en zonverbrand, haar scheten knallen over de vlakte, menstruatiebloed loopt langs haar benen.
Bevrijd van de sociale opdracht om als vrouw schoon, mooi en aantrekkelijk te zijn, kan Davidson zich om nog maar één ding bekommeren: is er voldoende voedsel voor de kamelen?
Ultieme gruwel? ‘Dit is het paradijs’ schreef ze in een brief.

In haar naschrift uit 2012 is Davidson, die in de jaren na ‘Tracks’ zou blijven publiceren over woestijnen en nomaden, stellig: zo’n reis kan iemand vandaag de dag niet meer maken. Probeer met moderne technologie maar eens in een landschap te verdwijnen.

En dan nog iets: onze opvattingen over privacy zijn in dertig jaar veranderd. Davidsons motivatie voor de tocht was extreem persoonlijk, zelfs de deal met National Geographic voelde als ‘zelfverraad’. Nu kun je je nauwelijks voorstellen dat iemand zónder media-aandacht op pad zou gaan. En een vrouw die zich met afgebladderde huid en vastgekoekt haar in een uitgedroogd landschap verliest: dat is geen selfie-materiaal.

In zekere zin, zegt Davidson zelf, is ze nooit helemaal hersteld van de reis.


© RdL
Trouw
8 mei 2014