ARCHIEF

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1997

« Born into BrothelsTropic Thunder »

FRANS WEISZ OVER 50 JAAR FILMACADEMIE

24

sep

2008

De Nederlandse Film & Televisie Academie bestaat vijftig jaar. Dat wordt ook gevierd op het Nederlands Filmfestival, dat vanavond opent in Utrecht. Trouw sprak met twee filmregisseurs over hun jaren aan de academie, een oud en een nieuw talent. Frans Weisz (1938) was er in 1958 de allereerste student. Sacha Polak (1982) studeerde af in 2006.

FRANS WEISZ
“Ik was de allereerste student die zich in 1958 inschreef, op een maandagochtend in de Van Eeghenstraat. Ze waren nog aan het verhuizen. Ik hielp een filmblik sjouwen, schreef mijn naam op een formulier en ik was toegelaten. Het stelde niks voor. Er was niets. Geen apparatuur, helemaal niets. Ik hoop dat ik het verzonnen heb, maar in mijn herinnering keken wij door een wc rolletje. Camera’s waren er niet.

Film is mij voor second best geweest, een vluchthaven. Ik heb maar één ding in mijn leven echt gewild: toneelspelen. Vanaf mijn elfde wist ik het en heb ik het overal lopen verkondigen. Mijn vader, die ik niet bewust heb gekend, acteerde. Ik was ontzettend ambitieus. Maar na een jaar werd ik van de toneelschool in Arnhem gestuurd, wegens gebrek aan talent. Ik had het gevoel dat mijn leven eindigde, durfde bij wijze van spreken de straat niet meer op.
Toen zag ik een advertentie in de krant waarin de oprichting van de Filmacademie werd aangekondigd. Ik ben altijd zo dankbaar geweest voor dat woord ‘academie’, dat het niet ‘werkplaats’ was, of ‘filmopleiding’. Het klonk zelfs beter dan toneelschool! Met het woord ‘academie’ kon ik tenminste Americain en Café Reijnders weer in.

Dat eerste jaar waren er zo’n vijfentwintig studenten in alle leeftijden en toonaarden, bijvoorbeeld iemand uit de reclamewereld en een dame van de filmkeuring. Ze wilde wel eens weten hoe een film wordt gemaakt. Maar als je er iets níet leerde dan was dat het. Drie ochtenden per week kwamen we in een kleine ruimte bij elkaar en luisterden naar docenten die je zonder middelen uitlegden wat film is.
We bekeken steeds dezelfde films: ‘Le Salaire de la Peur’ met Yves Montand en ‘Bad Day at Black Rock’, een western met Spencer Tracy. Het was alsof je les kreeg in de liefde zonder dat je ‘m mocht bedrijven.

Na twee jaar academie ben ik naar Rome gegaan en daar was de situatie precies tegenovergesteld. Docenten hadden geen zin om in een klas te gaan staan praten, we kwamen meteen in de praktijk terecht. We zaten in het hartje van Cinecittá: Liz Taylor was daar bezig met ‘Cleopatra’, je liep door het decor van Gene Kelly, in de gang kwam je Orson Welles tegen. In Amsterdam had ik de filmgrammatica geleerd, nu leerde ik de taal spreken.
In 1962-63 kwam ik terug in Nederland. Toen was daar ineens het filmtijdschrift Skoop en waren daar ineens Adriaan Ditvoorst, Nikolai van der Heijden, Pim & Wim, Frans Bromet. Er was een filmklimaat-je! Vooruit, het was nog geen zomer, maar wel zo’n zonnige dag om op een terras te gaan zitten.

Meester en leerling vind ik een totaal verkeerd gekozen titel voor het festivalprogramma. Ik voel me helemaal geen meester, ik heb nog steeds het gevoel dat ik aan het begin van alles sta. Een leraar ben ik echt niet, daar ben ik niet altruïstisch genoeg voor. Claude Chabrol heeft ooit gezegd: ‘Je kunt in 24 uur leren een filmregisseur te worden.’ Nou, dan ben je nog een trage leerling, want je kunt het veel sneller leren. Alleen, je hebt misschien je hele leven nodig om een goede film te maken.
Toen ik Bert Haanstra vertelde dat ik naar de Filmacademie ging, zei hij ‘joh, waar is dat nou voor nodig, dat heb ik toch ook niet gedaan?’ Zelf heb ik ook de neiging om te zeggen: het leven zelf leert je wel hoe je films moet maken. Dan heb ik het natuurlijk over regisseurs, niet over technici. Camera-, geluidsmensen en editors hebben de filmacademie hard nodig.
Een regisseur ook wel, maar ik zou bijna zeggen: die heeft het leven veel harder nodig dan de academie. Wat ik zonder de academie niet had geleerd? Zulke filmwetten als: je ziet een mes door de lucht gaan, een poes wegspringen en vervolgens bloedspetters. Je hoeft niet te zien dat het mes het lijf in gaat.

De rol van meester heb ik nooit op me genomen, hoewel ik geen nee zeg wanneer iemand op de set wil komen kijken. Ik heb wel in een vroeg stadium, toen ik hun werk op de filmacademie zag, Dick Maas en Orlow Seunke aangeraden bij producent Rob du Mée: hou die in de gaten, die worden goed. Bij recente lichtingen heb ik dat gevoel ook wel ‘ns. Het is vaak een gevoel van jaloezie: ‘hé, dit had ik gemaakt willen hebben.’
Voor hedendaagse studenten is beeld zo vanzelfsprekend. Mijn zoon, die nu op de toneelschool zit, maakte op z’n elfde al filmpjes. Die generatie is opgegroeid met YouTube en Final Cut Pro. Maar of ze andere ambities hebben… Ik liet me inspireren door Truffaut en Fellini, zij door Wong Kar Wai en Tarantino. De namen zijn veranderd, maar filmmaken gaat nog steeds over verlangen: ‘kijk naar me, ik ben er, houd van me’.”

©RdL
Trouw
24 september 2008