ARCHIEF

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1997

« LepelSamuel Byck en The Assassination of Richard Nixon »

HOLLYWOOD IN MAROKKO

20

feb

2005

In een stoffige uitgestrekte vlakte in oostelijk Marokko hangen zo’n dertig mannen in de warme winterzon rond voor de poort van CLA Studio’s, een ommuurd terrein in zachtroze aardetinten dat zo in Hollywood zou kunnen staan.
Wat ze er doen? “Wachten op geld”, zegt een van hen in gebroken Frans. Het zijn loodgieters en bouwvakkers die kortgeleden de laatste hand hebben gelegd aan de voltooiing van een filmstudio midden in het droge landschap ten oosten van het Atlas gebergte. Nu zijn ze weer werkloos, dus dat geld moet wel snel komen.

Filmproduktie is hier booming business. Het plaatsje Ouarzazate, een kilometer of zes verderop langs de doorgaande weg, geldt als het epicentrum van een internationale filmindustrie die de laatste jaren steeds serieuzere vormen begint aan te nemen. Films als ‘Gladiator’, ‘Troy’, ‘Alexander’ en de Nederlandse ‘Flirt’ werden (deels) in Marokko opgenomen.

Marokko dient al sinds het begin van de cinema als exotisch filmdecor. De Franse gebroeders Lumière stuurden nog voor de vorige eeuwwisseling cameramensen naar de verre Franse kolonie
om er het dagelijkse leven vast te leggen. In de jaren dertig vonden Franse filmmakers als Julien Duvivier (‘Les Cinq Gentlemen Maudits’) hun weg naar het ruige Marokkaanse landschap. Orson Welles was er als acteur voor de opnamen van ‘The Black Rose’ en keerde terug als regisseur om er ‘The Tragedy of Othello’ op te nemen. Martin Scorsese draaide er ‘The Last Temptation of Christ’. En voor de goede orde: de klassieker ‘Casablanca’ uit 1942 werd daarentegen opgenomen in de Warner Bros studio’s in Californië. (Casablanca heeft wel een Rick’s Café, speciaal voor toeristen met gevoel voor ironie.)

Vooral het schitterend gelegen Aït Benhaddou, zo’n dertig kilometer ten noordwesten van Ouarzazate, is veelvuldig gebruikt. Deze ommuurde verzameling vermoedelijk eeuwenoude kasbahs, fraai ingeklemd tussen rostpartijen en rivier, figureerde ondermeer in David Leans ‘Lawrence of Arabia’ en Pier Paolo Pasolini’s mythologische hervertelling ‘Edipo Re’.

Voor wie zoekt naar exotisch ogende, goedkope figuranten en naar stoffige landschappen die dienst kunnen doen als het Griekenland of Midden-Oosten van eeuwen of millennia geleden, blijkt Marokko keer op keer een betrouwbare filmlokatie.

Ooit was het de normaalste zaak van de wereld om vliegtuig- en scheepsladingen materieel en personeel vanuit Amerika of Europa naar een filmlokatie te verslepen. Toen Alfred Hitchcock in 1956 met James Stewart en Doris Day neerstreek voor de opnamen van ‘The Man Who Knew Too Much’ reden er 25 vrachtwagens Marrakech binnen. Maar binnen het huidige sterrensysteem waarbij honoraria van populaire acteurs zwaar drukken op torenhoge filmbudgetten, is dat niet meer mogelijk.
Oftewel, wie over de grenzen filmt doet dat in een land waar de infrastructuur voor filmproducties terplekke goed geregeld is. Waar hotels, goede wegen, telecommunicatie en decorbouwers, electriciens, naaisters en produktieassistenten voorhanden en betaalbaar zijn.

Het initiatief in 1985, van hotelketeneigenaar Mohamed Belghmi om een filmstudio te openen nabij Ouarzazate, een woestijnstadje dat al dienst deed als uitvalsbasis voor lokatieopnamen in de omgeving, bleek een gouden greep. Sindsdien werden er in de Atlas Studios zo’n 25 films gedraaid, waaronder ‘The Jewel of the Nile’, het James Bond avontuur ‘The Living Daylights’, het Jean-Claude van Damme vehikel ‘Le Legionnaire’ en de recente historische megaproductie ‘Gladiator’.

Het zijn wat dat betreft goede tijden: in Hollywood lijken producenten de laatste jaren vooral geïnteresseerd in alles wat niet met de actualiteit te maken heeft. Hoe verder van het beangstigende, verwarrende heden verwijderd, hoe beter, lijkt het collectieve bedrijfsmotto. ‘Troy’, ‘Gladiator’, ‘Alexander’, films met sterren en enorme budgetten, zijn escapistische, romantische kijkjes in het verre verleden met helden die geen hightech snufjes besturen, maar honderdenduizenden manschappen aanvoeren. Wat heb je daarvoor nodig? Goedkope arbeidskrachten en lege landschappen zonder electriciteitskabels. En als het even kan een stabiel zonnig klimaat.

Dat heeft hij allemaal te bieden, zegt Mohamed Taoufiq Essakali, sinds enkele maanden directeur van de Atlas Corporation Studios, inmiddels in handen van een van de zonen van de overleden oprichter Belghmi. “Een figurant die je in eigen land 200 dirham (18 euro, RdL) per dag zou betalen, kost hier de helft van de prijs. Verderop in Afrika is het misschien nog goedkoper, maar daar vind je de faciliteiten niet die wij hebben.” Bovendien kun je volgens Essakali met het landschap alle kanten op. “Je kunt hier gemakkelijk westerns opnemen. Niemand die het verschil ziet tussen onze woestijn en Texas.”

Dat lijkt grootspraak, maar een beetje gelijk heeft hij wel. Wie via de stille wegen het oosten van Marokko doorkruist, waar droge, licht heuvelende vlaktes, onderbroken door grillige rotspartijen en bergkammen, het landschap beheersen, waant zich zonder al teveel moeite in de verlaten landschappen van het zuidwesten van de Verenigde Staten. Vooruit, de kamelen en oases vol dadelpalmen moet je natuurlijk buiten beeld houden.
Wie nog verder (zuid)oostelijk doorreist richting de grens met Algerije stuit op de ultieme woestijnfantasie van sensuele sprookjes en warme dagdromen: onbegroeide, zachte zandduinen die door de wind in prachtige, sikkelvormige toppen worden geblazen.

Geen wonder dat de zaken goed gaan. Exotisme is een uitstekend exportmiddel. Volgens Nour-Eddine Sail, directeur van het Centre Cinématographique Marocain in de hoofdstad Rabat, brengen de buitenlandse filmprodukties heel wat geld op. In 2003 kwam er op die manier zo’n 63 miljoen euro het land binnen. In 2004 steeg dat bedrag tot zo’n 72 miljoen.

Wat betekent dat voor de plaatselijke werkgelegenheid? Sail is er optimistisch over. Vanuit Rabat laat hij weten dat er op dit moment zo’n 600 professionals werkzaam zijn binnen verschillende technische disciplines van de filmindustrie in Marokko. Die krijgen veel ervaring op de internationale filmsets. “Naar schatting zijn 25% van de technici die betrokken zijn bij in Marokko opgenomen buitenlandse filmproducties, Marokkanen.”
De Marokkaanse wet helpt er een handje bij, legt hij uit. Zo moet de tweede assistent van ieder departement een Marokkaan zijn en zijn buitenlandse producenten verplicht samen te werken met een Marokkaanse uitvoerend producent. De filmstudio’s nabij Ouarzazate hebben volgens hem een aanzienlijk effect op de sociale en economische ontwikkeling van het stadje en de omgeving. Sail: “Met toerisme gaat het goed en er is vooral sprake van een sterk groeiende plaatselijke werkgelegenheid.”

Dit soort vrolijke geluiden zal Atlas-direkteur Essakali zich niet gauw laten ontvallen. Voor het hoofd van een bedrijf dat zich nadrukkelijk richt op de overzeese markt is Essakali een opvallend terughoudend man. Hoeveel geld er omgaat in zijn studio? Daar praat hij liever niet over. Wat hij ervan vindt dat er zo dichtbij een nieuwe filmstudio wordt geopend? “Och, het is de concurrent.” En heeft hij iets gemerkt van terughoudendheid van Amerikanen om hier te komen na de terreuraanslagen in Casablanca vorig jaar? “Marokko is een rustig land, met vriendelijke mensen”, zegt hij ontwijkend.
Ook zijn interesse voor cinema is weinig aanstekelijk. Gevraagd naar zijn favoriete film die hier in de achtertuin werd opgenomen, kijkt hij even om zich heen en wijst dan op het affiche van ‘Kundun’, achter hem aan de muur. Waarom ‘Kundun’? “Ach, ik weet het niet. Het was een mooie film.”

Essakali houdt kantoor binnen het ommuurde studiocomplex dat, gelegen in een kale vlakte, al van afstand de aandacht trekt. De poort waardoor dagjestoeristen in 4x4 wagens af en aan rijden, wordt links en rechts geflankeerd door meters hoge Egyptische standbeelden. Imposante, ogenschijnlijk solide blikvangers die bij nadere inspectie gaten in de gipsen benen blijken te hebben. Er staan ook twee Chinese leeuwen tussen, die dingen die je vaak bij Chinese restaurants ziet. De toon is gezet voor het studioterrein dat een ecclectische mix van quasi-historische objecten herbergt die van afstand echter lijken dan van dichtbij gezien. Maar dat is film: het gaat om de illusie.

Voor filmliefhebbers is het terrein van de Atlas Corporation Studios een soort minipretpark voor een fijn dagje uit. Je kunt er een rondleiding krijgen langs de filmsets, een biertje drinken in Bar Gladiator en een sandwich Idéfix of assiette Obélix (koud vlees) eten in Restaurant Cleopatra.
En wie dan nog niet weg wil, mag blijven slapen in een van de uitstekende kamers van het Oscars Hotel die met hun dikke aardekleurige muren in kasbah-stijl fraai zijn aangelegd rond binnentuintjes en een zwembad. Om welk kamernummer moeten we vragen als we in het bed willen liggen waarin Russell Crowe sliep toen hij hier was voor ‘Gladiator’? Essakali heeft een teleurstellende mededeling: “Sterren willen in paleizen slapen, niet hier. Die gaan naar het vijfsterren hotel in Ouarzazate.”

Of het door het rustige winterseizoen komt of de bedrijfsmentaliteit van de nieuwe direkteur, filmgekte heerst hier niet. Bar Gladiator is een weinig enthousiast of consequent ingerichte ruimte waar slechts een paar koperen gladiator-schilden boven een Ikea-achtig zithoekje aan de naamgever herinneren. Naast de toog hangt een affiche van ‘Astérix et Obélix: Mission Cléopâtre’, met Monica Bellucci in de zwoele titelrol.
Een Amerikaanse toeriste wijst op een foto van een man met flinke wenkbrauwen en een Tibetaans jongetje. “Is that Martin Scorsese?” kirt ze. “Oui, oui,” antwoordt de zwijgzame barman gelaten.

In de entreehal blijft het bij parafernalia als een oude filmcamera en een affiche van ‘Le Diamant du Nile’. Met iets meer enthousiasme en gevoel voor interieur zou men een verblijf hier in een handomdraai wat spectaculairder kunnen maken. Hotelkamers in Cleopatra-stijl, een goede verzameling setfoto’s, een vitrine met wat filmkostuums, om maar wat te noemen, zouden al wonderen doen.

Gelukkig maken de filmsets buiten veel goed. Youssef is de studentikoze gids die vandaag in een stevige, kille winterwind een groepje kleumende toeristen rondleidt langs de filmdecors en -objecten die in de loop der jaren op het studioterrein zijn opgebouwd en verzameld. Diep weggedoken onder pet en capuchon van zijn Ecko sweater beperkt hij zich het liefst tot minimale informatie. “Dit is het vliegtuigje dat te zien was in ‘The Jewel of the Nile’.” Hij stapt stevig verder. “Links is de pagode gebouwd voor Martin Scorsese’s ‘Kundun’”, meldt hij, voortmarcherend.

Maar uitleg of niet, zelfs zonder smeuïge anecdotes is het een verukkelijk, onweerstaanbaar universum, zo’n studioterrein. Je waant je een heuse tijdreiziger wanneer je op een oppervlak van 500 hectare van het oude Egypte naar de hoogtijdagen van Rome kunt wandelen, langs het oorlogstuig dat altijd vergeefs wordt ingezet tegen Asterix en Obelix, door naar de exotische mystiek van Tibet.
We lopen langs de gevel van een schitterend Egyptisch paleis dat werd gebruikt voor de televisiefilm ‘Cleopatra’ uit 1998, met Timothy Dalton als Julius Caesar. Je zou zweren dat de obelisken en de enorme liggende rammen met gouden horens die het ‘gebouw’ bewaken, van marmer waren. Maar natuurlijk, van dichtbij is het allemaal piepschuim, gips en slim gebruikte verf.

Een met riet afgedekt binnenplaatsje met witgepleisterde muren stelt de slavenmarkt voor waar in ‘Gladiator’ Maximus (Russell Crowe) wordt opgemerkt door mensenhandelaar Proximo (Oliver Reed in zijn laatste rol). Youssef komt zowaar een beetje los. De arena waar de gladiatoren in de film trainen, zo vertelt hij spontaan, was verderop gebouwd, vlakbij Aït Benhaddou. “Maar die is inmiddels weer afgebroken.”

Op het Atlas-terrein breekt men zelden iets af. De meeste bouwwerken, gemaakt van hout en spaanplaat en aan de achterkant gestut door flinke balkconstructies, wachten geduldig op hergebruik. Een verf- en oplapbeurt is meestal genoeg om een decor een tweede leven te geven. Zo figureerde het interieur van een Egyptisch paleiszaaltje zowel in het televisiedrama ‘Moses’ (1995, met Ben Kingsley) als in de avonturenfilm ‘The Mummy Returns’.

Youssef wijst in de verte, waar in het kale landschap tegen een heuvelrij een immens grauw middeleeuws kasteel staat. “Dat is gebouwd voor Ridley Scotts nieuwste film, ‘Kingdom of Heaven’.” De opnamen voor de kruistochtenfilm met Orlando Bloom en Jeremy Irons, vanaf mei te zien, werden vorig jaar zomer afgerond. De set is gesloten, we mogen er niet gaan kijken. En die helicopter die daar overvliegt? “Locatie scouts, die zie je hier voortdurend”, zegt hij.

Youssef was zelf assistent setdresser bij de opnamen van ‘Kingdom of Heaven’. Daarvoor is hij al vaak figurant geweest, net als zoveel andere bewoners van Ouarzazate. Hoewel, weet hij, Martin Scorsese voor ‘Kundun’ duizend heuse Tibetanen liet invliegen. Youssef eindigt zijn rondleiding in het ruime, fraai gedecoreerde houten gebouw dat Scorsese gebruikte voor zijn film over de veertiende Dalai Lama. De wanden zijn bedekt met kasten vol boeddhabeelden, boeken en gebedsrollen. “Van klei”, zegt Youssef. Wat vond hij van de film? “Ik ben er bij in slaap gevallen”, grijnst hij.

Midden in de ruimte staan, als een soort tijdelijke tentoonstelling, houten schotten met tientallen polaroids van figuranten van ‘Kingdom of Heaven’. Ze zijn gegroepeerd onder noemers als ‘pelgrims’, ‘tempeliers’, ‘edelen’. Iedere figurant heeft een eigen nummer. Van hoofdtooien en juwelen die de jonkvrouwen dragen zijn aparte close-ups gemaakt. De mensen van de kostuumafdeling gebruiken dit soort beelden om de continuïteit in de film te waarborgen.

Het is een geestig gezicht, al die foto’s van mensen die na deze massale verkleedpartij van een half jaar geleden nu in Ouarzazate hun normale leven al lang weer hebben opgepakt. Ik meen zelfs even de bakker te herkennen die me vanochtend een paar prima croissantjes heeft verkocht. Sommigen overtuigen eerlijk gezegd voor geen meter als middeleeuwers, zo guitig als ze met scheefgezakte helmen in de camera kijken. Alsof het een grote grap is.

Dat is het ook wel een beetje. Filmmakers zoeken het exotische Marokko en zijn bewoners op om ze vervolgens naar hun eigen wensen en fantasieën te plooien. Het land lijkt iedere gedaante te kunnen aannemen die je maar wilt. Misschien wordt het eens tijd voor een eigen, krachtige Marokkaanse cinema. Met films waarin Marokko gewoon Marokko mag zijn.

©RdL
HP/De Tijd
februari 2005