« AssassinsAsterix tentoonstelling »

HET HOOFD VAN FERDINAND CHEVAL

19

nov

2004

In 1879 struikelde postbode Ferdinand Cheval in het Zuid-Franse Hauterives over een steen. Dat was het begin van een hoogst curieuze onderneming: in de daarop volgende drieëndertig jaar verzamelde Cheval steen na steen en bouwde eigenhandig, in zijn eentje, een groots grillig ‘paleis’.
Het hoorspel ‘Het Hoofd van Ferdinand Cheval’ vertelt hoe de dagdromen van een gewone postbode resulteerden in een van de merkwaardigste bouwwerken van Frankrijk.

[27-01-09] ferdinand_cheval.jpgOver Ferdinand Cheval (1836 - 1924) is maar weinig bekend. Tegen het eind van zijn leven gaf hij een paar interviews toen steeds meer mensen zijn in 1912 voltooide gebouw kwamen bekijken. En hij liet een schriftje na met wat persoonlijke schrijfsels, heroïsche teksten als ‘Ik heb de elementen getrotseerd’.

Maar waaróm hij tientallen jaren lang op zijn dagelijkse bezorgroute stenen in zijn posttas stopte en verbeten voortploeterde aan het palais idéal dat hij tot in detail voor zich zag, is niet duidelijk. Inscripties als ‘Voor een dapper hart is niets onmogelijk’ en ‘Mijn wilskracht was net zo hard als deze rots’ die Cheval in de muren verwerkte, geven een indruk van zijn bezieling, maar niet van zijn beweegredenen.

Radiomaakster Bente Hamel, die het paleis voor het eerst zag op een briefkaart die iemand haar vanuit Frankrijk had toegestuurd, besloot om de heroïek heen te kijken en gewoon [27-01-09] ferdinand_cheval_2.jpgzelf te bedenken wat er in het hoofd van Ferdinand Cheval zou zijn omgegaan. Hamel: ‘Cheval begon te bouwen in het jaar dat zijn dochter Alice werd geboren. Dat zal toch geen toeval zijn. Er is bekend dat hij eerder een vrouw en zoontje had verloren en het leek me eigenlijk heel begrijpelijk dat hij een enorme energiekick kreeg van het geluk dat hij met zijn tweede huwelijk en tweede kind had hervonden.’

Hamel schreef en regisseerde, in nauwe samenwerking met zanger-muzikant Spinvis (Erik de Jong) een muzikaal radioverhaal dat de luisteraar de mogelijkheid geeft even mee te liften op Chevals emoties en gedachtengangen. In hun interpretatie begon de postbode de titanenklus met vrolijke, levenslustige energie en zette die later, na een nieuwe tragedie, om in een woeste, dwangmatige obsessie. We horen de postbode gedisciplineerd over zonovergoten veldweggetjes stappen, vertederende gesprekken met zijn dochter voeren en ’s nachts naar adem happend uit de bedstee stappen om te kijken of de kleuter heus, écht nog leeft. Wanneer zijn werk eindelijk is voltooid horen we hem zijn stenen creatie met koude blikken observeren: het is een ‘opschepperig’, leeg omhulsel volgens de vermoeide, oude en verbitterde Cheval.

‘Het Hoofd van Ferdinand Cheval’ is een ontroerend, prachtig verteld verhaal dat de beelden van het wonderlijke paleis alleen nog maar dramatischer maakt. ‘Een leeg omhulsel’ klinkt misschien negatief, maar helemaal onwaar is het niet. Het ‘ideale paleis’ is een bouwwerk dat behalve een paar gangen, zo vertelt Hamel, geen binnenkant heeft. Het is geen woonplek of feestruimte, het heeft geen doel of functie. Het is, als een vroeg-postmoderne constructie, slechts de representatie van een idee. Een exotische façade voor gekoesterde dromen en verlangens. Maar de buitenkant is des te mooier: een ecclectische versmelting van verschillende bouwstijlen met talloze torens, allegoriën, watervalletjes, dierfiguren, geheimzinnige nissen, kantelen, gevelteksten, fonteinen, beeldengroepen, draaiende trappen en zelfs een paar palmbomen.

Tijdens haar research stuitte Hamel op de reglementen die de Franse posterijen destijds hanteerden voor hun plattelandspostbodes en nam die op in het hoorspel. In een geestige sequentie valt te horen tot in welke details postbezorgers zich dienden te houden aan de uitgezette route en kledingvoorschriften (’s zomers mocht men ‘de pet vervangen door een strooien hoed, mits afgezet met een zwarte band waarop het woord ‘post’’, roept een barse stem).
Zouden Chevals levendige fantasieën hebben gediend als ontsnapping aan zijn strakke werkregime, dat iedere dag precies dezelfde wandeling van 32 kilometer behelste? Hamel: ‘Die tegenstelling zie je misschien met de ogen van onze tijd, maar ik vraag me af of Cheval het zelf zo zou bekijken. Hij kwam uit een arm boerengezin en had met zijn werk als postbode dus een hele goede aanstelling. Op foto’s zie je hem staan voor dat bouwwerk dat wel een buitenaards ding lijkt, steeds in uniform. Ik denk dat hij daar heel trots op was.’

Het klinkt raar, een hoorspel over een visueel gegeven. Maar het leuke, vindt Hamel, is dat iedereen zich al luisterend een eigen voorstelling kan maken van Chevals omgeving en bouwwerk. De opnamen vonden plaats in het Groene Hart, bij Zegveld. Het was een hele toer een stil plekje te vinden, vrij van moderniteiten. Maar hoe laat je de Nederlandse polder nu klinken als het platteland van Zuid-Frankrijk? Hamel: ‘Tja kijk, het is fantasie, geen realisme. Dus je mag alle mogelijke kunstmatige middelen inzetten om je eigen geluid te creëren. Ik koester wel de fantasie dat er nog eens een vogelaar op me afstapt die vertelt dat er een vogeltje te horen is dat in Zuid-Frankrijk helemaal niet voorkomt.’

Nadat het radioverhaal afgelopen mei door de NPS was uitgezonden ontstond het idee om er filmbeelden bij te maken. De tekst werd in achttien mootjes gehakt en met elk van die stukjes gingen visuele kunstenaars en filmmakers aan de slag. Zo ontstond een ‘beeldtrack’, eigenlijk het omgekeerde van een soundtrack die doorgaans onder beeld wordt gezet. Hamel vond het heel even moeilijk om haar verhaal uit handen te geven. ‘Maar het motto van het hoorspel luidt: gebruik je verbeelding. Ik heb dat gedaan. Laat anderen dat dan ook maar doen en er weer iets heel anders van maken. De geschiedenis van Ferdinand Cheval blijkt bij veel kunstenaars een gevoelige snaar te raken.’

De achttien korte films zijn heel uiteenlopend van stijl; de ene maker koos voor animatie, de ander laat een blond meisje even de kleine Alice verbeelden. Oude foto’s van het paleis, Cheval en zijn gezin worden gebruikt en dan weer kijken we naar bewegende Lego-poppetjes druk in de weer met een zandkasteel. Ook Theo van Gogh leverde een bijdrage met beeldmateriaal uit zijn nog te vertonen televisieserie ‘Medea’. Het mooie is dat ­anders dan wanneer één maker één verfilming had gemaakt ­de beelden het gesproken verhaal niet overheersen of verdringen. Sterker, je hebt de neiging nog beter te luisteren naar de tekst, de verbindende factor van die bonte beeldenreeks.

“Het leuke’, zegt Hamel, ‘is dat de filmpjes een samenraapsel zijn, net als Chevals paleis een samenraapsel van stijlen is.’ De cd met het radioverhaal en de dvd met de korte films zijn nu samengevoegd in een fraai vormgegeven postpakketje dat bovendien een boekje bevat waarin Ingmar Heytze de geschiedenis van Cheval op poëtische wijze ­ en in de derde persoon verteld ­ ook nog een literaire vorm geeft. Er zitten nog meer verrassingen in, waaronder een bouwpakketje van het paleis dat in werkelijkheid inmiddels wordt geflankeerd door een museum en, gekoesterd door de Fransen, tot nationaal monument is bestempeld.

‘Het Hoofd van Ferdinand Cheval’ maakt een hevig verlangen los onmiddellijk in de auto te stappen en, met het hoorspel in de cd-speler, naar de Zuid-Franse Drôme te rijden. Zolang dat niet kan moet je toch maar je verbeelding gebruiken.

©RdL
Trouw
19 november 2004

‘Het Hoofd van Ferdinand Cheval’
Spinvis & Bente Hamel & Ingmar Heytze
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

E 27,50
ISBN 90 388 3117 x
Vanaf nu verkrijgbaar in boek- en cd winkel