« Viktor & Rolf in New YorkSegway gelanceerd »

SHOAH FOUNDATION - VIJFTIGDUIZEND GETUIGENISSEN

8

aug

2000

Vijftigduizend persoonlijke getuigenissen van de Holocaust zijn over de hele wereld verzameld door de stichting die filmregisseur Steven Spielberg in 1994 oprichtte. Nu komt het moeilijkste karwei: al die op video vastgelegd verhalen digitaal opslaan en toegankelijk maken voor een publiek.

Toen Steven Spielberg in 1993 Schindler's List maakte had hij niet kunnen voorzien dat zijn film over de Duitse industrieel Oskar Schindler, die tijdens de Tweede Wereldoorlog meer dan 1000 joden redde, aanleiding zou zijn voor de opzet van een immens historisch archief waaraan wereldwijd tienduizenden mensen zouden meewerken en dat zou uitgroeien tot een state of the art-projekt op het gebied van digitale archivering.

De regisseur, met de film in één klap gepromoveerd van commercieel succesvol entertainer tot cineast van gewicht, werd al op lokatie in Polen een aanspreekpunt voor talloze Holocaust-overlevenden die hun verhaal wilden doen.
Financieel geruggesteund door het succes van zijn film riep Spielberg de Survivors of the Shoah Visual History Foundation in het leven. De stichting heeft zich ten doel gesteld zoveel mogelijk persoonlijke verslagen van de Holocaust te verzamelen en beschikbaar te maken opdat, in de strijd tegen intolerantie, ‘generaties mensen niet vergeten wat slechts zo weinigen hebben kunnen navertellen'.

Het tijdstip bleek perfekt: de afstand tot hun ervaringen was inmiddels voor veel overlevenden groot genoeg om erover te kunnen vertellen, maar de Holocaust was weer niet zo lang geleden dat de laatste getuigen waren overleden. Bovendien maken de technologische ontwikkelingen die sinds begin jaren negentig een hoge vlucht hebben genomen, het digitaal opslaan en distribueren van enorme bestanden mogelijk.

Ari C. Zev, direkteur van de stichting: “Ons aanvankelijke doel was ervoor te zorgen dat het archief op zo’n vijf lokaties te raadplegen zou zijn.” Maar met de toenemende mogelijkheden beeld te versturen via beveiligde online-verbindingen zal het archief op termijn via meerdere, kleinere instellingen overal ter wereld kunnen worden ontsloten.
Het direkte belang, volgens Zev, “De verhalen terugbrengen naar de landen waar de Holocaust heeft plaatsgevonden.” Inmiddels is de eerste fase volbracht: in de afgelopen jaren zijn in 57 landen ruim 50.000 getuigenissen in 32 verschillende talen op video vastgelegd en in Los Angeles bij de Foundation bijeen gebracht.

De interviews werden uitgevoerd door vrijwilligers overal ter wereld, met als grootste concentratiegebieden New York, Los Angeles en Israel. De meesten van hen waren joods, net als de overgrote meerderheid van de deelnemers. Er zijn weliswaar Jehova’s getuigen, bevrijders, verzetsmensen en enkele politieke gevangenen en vervolgde homoseksuelen voor de camera's verschenen, maar uiteindelijk vormen die deelnemers een minderheid.
Veel vrijwilligers meldden zich om persoonlijke redenen aan: er waren overlevenden die zelf interviews afnamen en veel kinderen van overlevenden en slachtoffers.

Denise Citroen, die als lokaal manager de inzameling van getuigenissen in Nederland coördineerde: "Tweede generatie-interviewers konden eindelijk de vragen stellen die ze hun ouders nooit hadden kunnen, durven of mogen stellen. Voor veel mensen was het in die zin eerder een positieve dan een onthutsende ervaring. Wij hadden het hier wel eens over de 'verwerkingsfabriek'.”

Ook de Oostenrijkse Elisabeth Pozzi-Thanner, een van de 250 vrijwilligers in New York, die de afgelopen jaren honderden gesprekken voerde, werd gemotiveerd door haar eigen verleden. Haar grootvader stierf als politiek gevangene in een concentratriekamp, haar vader was een prominent verzetsman, terwijl diens broer die om de hoek woonde bij de SS ging. “Ik probeerde, door te luisteren naar alle verhalen, te begrijpen hoe de mensen in mijn eigen familie zulke verschillende keuzes hebben kunnen maken.”

Evengoed kwamen verhalen soms schrikbarend dichtbij. "Een vrouw vertelde hoe ze op transport naar Buchenwald stopte op het station van Linz, waar ik ben opgegroeid", zegt Pozzi-Thanner. “Tot in details kon ze de wachtruimte beschrijven, waar ik als kind talloze keren ben geweest. Ze vertelde hoe ze als meisje van tien met haar moeder zich daar volkomen onverwacht van kleding en juwelen moest ontdoen en hoe vernederend dat was. Dit was gebeurd in de plaats waar ik vandaan kom. Dat was heel erg moeilijk voor me."

Doorgaans ontmoetten interviewer en deelnemer - iedereen kwam afzonderlijk aan het woord, ook echtelieden, broers of zussen deden hun verhaal nooit gezamenlijk - elkaar twee maal. De eerste keer werd er een lange vragenlijst doorgenomen, die harde gegevens zoals geboorteplaats en -datum, namen van familieleden, opleiding, trouwdata en feitelijke informatie over verblijf in concentratiekampen of vluchtroutes opleverde.
Pas tijdens de tweede ontmoeting, waarbij een camerapersoon met opnameapparatuur meekwam, kreeg de deelnemer de gelegenheid over zijn of haar persoonlijke ervaringen te vertellen.

Deze sessies duurden gemiddeld twee à drie uur, maar Pozzi-Thanner heeft ook eens vijftien uur naar iemand geluisterd en zij weet dat Simon Wiesenthal wel vier dagen aan het woord is geweest. Alle deelnemers kregen een videokopie voor eigen gebruik.

In de gesprekken ging het er niet om feitelijke geschiedenis te schrijven, daar zijn immers genoeg geschiedenisboeken voor. Het archief is primair opgezet als verzameling van persoonlijke ervaringen. Pozzi-Thanner: “Wat nu is geregistreerd en daarmee erkend, is de ongelofelijke pijn die deze mensen nog steeds met zich meedragen en die wordt doorgegeven aan de tweede, derde, wie weet hoeveelste generatie.”
Citroen: "Het is maar de vraag of komende generaties geschiedenisboeken werkelijk zullen lezen. Deze vorm van geschiedschrijving is heel toegankelijk. Nu liggen er alleen al in duizend Nederlandse huizen videobanden met verhalen. Op den duur worden ze misschien bekeken en wordt er in die duizend huizen over gepraat."

Dat niet alleen. De videobeelden herbergen informatie die in geen geschreven tekst te vangen valt. Karen Jungblut, hoofd catalogisering van de Foundation in Los Angeles: "In transscripties, waarmee traditioneel in archieven wordt gewerkt, gaan zichtbare emoties op het gezicht en de toon van een stem, kortom hoe iets wordt bedoeld, verloren."

Dat de nadruk niet ligt op feiten kan leiden tot historische onjuistheden in data of geografische aanduidingen in de getuigenissen. Maar voor het archief is dat niet relevant (hoewel de archivarissen ervoor zorgen dat de toekomstige gebruiker niet via een zoekopdracht terecht kan komen bij een foutieve combinatie als Kristallnacht - 1940).
Dergelijke vergissingen hangen niet alleen samen met het mysterie van het menselijk geheugen, de gemiddeld hoge leeftijd van de geïnterviewden en het feit dat sommige mensen onder de traumatische omstandigheden hun begrip van tijd en plaats verloren. De deelnemers liepen uiteraard ook sterk uiteen in opleiding en intellectuele achtergrond.

Pozzi-Thanner heeft zowel analfabeten als een Nobelprijswinnaar gesproken. De laatste vertelde haar hoe hij zijn scholing was begonnen. "Hij was een jaar of drie toen hij en zijn moeder onderdoken in een kelderruimte ongeveer zo groot als een tafelblad. Ze hebben daar met een nicht van haar zo lang gezeten dat het jongetje nadien een half jaar nodig had om opnieuw te leren lopen. Daar beneden heeft zijn moeder hem alles geleerd: rekenen, lezen en schrijven en aardrijkskunde. Hij zei 'Ik kan je nu nog precies vertellen welke rivieren, bergen en oceanen je tegenkomt als je van mijn geboortedorp naar Oezbekistan of San Francisco reist'. Dat had zijn moeder hem allemaal in het donker verteld."

Tijdens de gesprekken werd Pozzi-Thanner het meest getroffen door dit soort ervaringen, van mensen die als kind ondergedoken hadden gezeten. Dat zijn precies de mensen die na de oorlog dikwijls over het hoofd werden gezien. “‘Jij bent niet in de kampen geweest en ach, je was nog maar een kind’, werd er steeds gezegd”, aldus Pozzi-Thanner. Volgens haar hebben juist veel van hen tot op heden moeilijkheden met het aangaan van en uiting geven aan hechte relaties.

Ze heeft voorbeelden te over, maar één verhaal van een ondergedoken meisje bleef haar in het bijzonder bij. “Ze had haar moeder voor haar ogen vermoord zien worden en haar vader was afgevoerd naar een kamp. De familie bij wie ze kon onderduiken had geen andere mogelijkheid dan haar in een hutkoffer te verstoppen. Daar heeft ze wekenlang van zonsop- tot zonsondergang in foetushouding in gezeten. Pas ‘s avonds mocht ze er uit om wat te bewegen en iets te eten.

Na de oorlog vond ze haar vader weer. Dat klinkt prachtig, maar ze konden absoluut niet met elkaar opschieten. Zij was inmiddels een jonge tiener, had de meest vreselijke dingen meegemaakt, was alleen op de vlucht geweest en had geleerd voor zichzelf te zorgen. De vader herinnerde zich het kleine meisje en wilde weer de vader zijn, maar het ging niet meer tussen hen. Later is ze getrouwd met een rijke man en kreeg drie kinderen. Aan het eind van het interview kwamen haar familieleden erbij.
Bij de meeste mensen leverde zo'n afsluiting met kinderen en kleinkinderen bij elkaar een heel warm, positief moment op. Maar in haar geval niet: haar naasten zaten allemaal op een halve armlengte van haar verwijderd. En toen ze iets mocht zeggen over haar familie zei ze ‘ik weet echt niet of ik de moeder ben geweest die ik had willen zijn’. Dat breekt je hart. Zij is niet de enige.”

Cruciaal in het trauma van onderduikkinderen is volgens Pozzi-Thanner de verwarring over identiteit. "Niet alleen werden kinderen vaak gescheiden van hun ouders en andere familie, ze moesten zich, juist in een periode dat hun identiteit vorm begon te krijgen, voordoen als iemand anders." Zo liet een vrouw haar bij het afscheid, toen de camera al was ingepakt, een foto zien van haar eerste communie. “Ze is nu weer praktiserend joods, maar ze had als kind haar eerste communie gedaan. Dat was voor haar een hoogtepunt geweest in een heel moeilijke tijd. Nog steeds had ze daar heel tegenstrijdige gevoelens over.”

Citroen onderschrijft Pozzi-Thanners analyse van onderduikkinderen."Mijn idee is dat zij de groep vormen die er het slechtst aan toe is en maatschappelijk het minst heeft bereikt. Onderduikkinderen hebben die periode heel anders ervaren dan bijvoorbeeld een echtpaar dat kon terugkijken op een jeugd voor de oorlog."

Leed laat zich, kortweg, niet in objektieve termen vangen. Pozzi-Thanner: "Wat ik heb geleerd van al die gesprekken is dat vervolgd worden, uit je land verdreven worden, op een vreselijke manier behandeld worden, mensen op heel verschillende manieren raakt. Er zijn mensen die ondanks afgrijselijke ervaringen het verleden lijken te hebben verwerkt en verder zijn gegaan met hun leven. En tegelijkertijd zijn er mensen die ‘slechts’ hebben moeten vluchten en er nooit meer bovenop zijn gekomen."

Hoewel de Foundation vanaf het begin een ruime definitie hanteerde voor de deelnemers - in feite was iedereen die zich tussen 1933 en 1945 op het vasteland van Europa had bevonden en om welke reden dan ook was vervolgd, welkom om haar of zijn verhaal te doen - waren het aanvankelijk vooral mensen die meerdere kampen hadden overleefd, die zich aanmeldden.
Citroen zegt dat zij in Nederland kind-overlevenden en onderduikkinderen aktief aanmoedigde te participeren in het projekt. Geholpen door toenemende aandacht (zoals conferenties) voor onderduikkinderen, meldden zich steeds meer mensen aan die de Holocaust als kind hadden meegemaakt.

Zo leerden de organisatoren al doende. "Wij hebben in Nederland in anderhalf jaar ruim 1000 getuigenissen verzameld. We waren al halverwege toen het projekt zich wereldwijd nog in de beginfase bevond", zegt Citroen. Haar beslissing bijvoorbeeld om na de afronding van de interview-fase op haar post te blijven en te blijven fungeren als nationaal aanspreekpunt voor de Foundation, werd beleid in andere landen.

Het beschikbaar stellen van het videomateriaal voor (wetenschappelijk) onderzoek is een van de oogmerken van de Foundation. Zo gebruikt de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang getuigenissen van de Foundation als (weliswaar klein) onderdeel van een grootscheeps onderzoek naar de repatriëring en opvang van Nederlanders die hun land moesten verlaten.

Ook valt te denken aan onderzoek naar traumaverwerking en psychisch en sociaal gedrag in extreem beangstigende en mensonterende omstandigheden. Pozzi-Thanner heeft zelf, puur op basis van persoonlijke observatie, al enkele dwarsverbanden gelegd. Zo hebben volgens haar mannen die tijdens hun puberteit in kampen terecht kwamen of moesten vluchten, die omstandigheden relatief goed doorstaan.
"Jongens tussen de 12 en 16 lijken zich als Huckleberry Finns te kunnen verplaatsen in een fantasiewereld en het avontuur van de situatie te kunnen inzien. Daar komt bij dat jongens op deze leeftijd zich juist proberen los te maken van hun familie. Het gescheiden worden van direkte familieleden is daardoor misschien minder traumatisch. Sommigen zeggen nu zelfs 'het feit dat ik moest vluchten is mijn geluk geweest, want anders was ik niet geweest waar ik nu ben'."

Tevens viel haar een opmerkelijk verschil op in overlevingstrategieën in de kampen tussen vrouwen en mannen. "Vrouwen vragen en bieden hulp en neigen naar het vormen van zusterschappen." Die ontstonden op basis van de kleine groepjes waarin mensen vaak werden ingedeeld en waarin ze op appèl moesten verschijnen.

Pozzi-Thanner: "Keer op keer hoorde ik weer dat vrouwen bij elkaar bleven en elkaar hielpen overleven. Daaruit zijn relaties voor het leven ontstaan." Zo waren er de vijf vrouwen die met elkaar al verschillenden kampen hadden overleefd toen ze aan het eind van de oorlog werden gedwongen tot een dodenmars. Dagen achtereen liepen ze, niemand had enig idee waarheen. Wie van uitputting viel werd doodgeschoten of gedood door de Duitse honden. "De vrouwen bedachten een systeem waarbij ze zo dicht tegen elkaar aanliepen dat de degene in het midden niet hoefde te lopen. Twee aan twee links en rechts ondersteunden ze de middelste die kon slapen. Ze wisselden elkaar steeds af, zo hebben ze het overleefd."

Toen ze dit soort patronen ontdekte begon Pozzi-Thanner mannelijke deelnemers naar hun relaties met medegevangenen te vragen. Volgens haar bleek dat mannen veel meer op zichzelf bleven en er van hechte banden alleen sprake was in geval van familierelaties, of als mannen groepjes vormden om te bidden.

Wie de meer dan 50.000 verhalen die de Foundation in huis heeft, achter elkaar wil bekijken, moet daar zo’n 13 jaar voor uittrekken. Het is een onwaarschijnlijke hoeveelheid materiaal, die nu ligt te wachten op archivering. Op dit moment zijn 67 mensen op de archiefafdeling bezig met de verwerking.
Het karwei vordert gestaag, maar traag: gemiddeld kan een persoon per dag twee uur videomateriaal verwerken. Iedere archivaris bekijkt een getuigenis op een computerscherm en brengt, met behulp van een timecode, korte segmenten in kaart. Het verhaal blijft intact (het wordt niet uit elkaar getrokken of gemonteerd) maar het wordt verdeeld in korte, hooguit enkele minuten durende, fragmenten. Die fragmenten worden kort beschreven en ondergebracht bij een of meerdere sleutelwoorden.

Het samenstellen van deze lexicon, die nu al ruim 16.000 termen bevat, is een gecompliceerd proces aangezien het archief zo fijnmazig mogelijk ontsloten moet worden. De staf heeft volgens Karen Jungblut bijvoorbeeld langdurig gepuzzeld over de term 'afstand doen van valse identiteit'. Die term verwijst naar het opnieuw aannemen van de joodse identiteit na zich een tijdlang als christen te hebben voorgedaan.
Volgens de staf moet er in dat proces immers onderscheid worden gemaakt tussen volwassenen en kinderen. Bij volwassenen, die enkele jaren als het ware hebben 'geacteerd' als christen, is dat proces te vangen onder de term 'hervatting’ van de joods identiteit.
Bij kinderen die geen weet hadden van hun joods-zijn, is er eerder sprake van 'bewustwording’ van de joodse identiteit. Jungblut: "We zijn eigenlijk niet zo gelukkig met de term bewustwording, maar het is het beste woord dat we tot nu toe hebben kunnen bedenken."

Met het huidige tempo zal het nog enkele jaren duren voordat alle getuigenissen hun plek hebben gevonden in het Holocaust-archief: er zijn er nu zo’n 3500 verwerkt. Tegen het eind van het jaar zal in het Simon Wiesenthal Center in Los Angeles het eerste deel worden ontsloten voor een algemeen publiek.
In de tussentijd wendt de Survivors of the Shoah Visual History Foundation het verzamelde materiaal aan voor andere produkties: men heeft al een cd-rom met bijbehorend lesmateriaal en drie documentaires, waaronder de met een Oscar bekroonde The Last Days, samengesteld.

Als het gaat om, in Steven Spielbergs woorden, het “creëren van een bron zo duurzaam dat mensen in de hele wereld over tien, vijftig of zelfs honderd jaar direkt van overlevenden en getuigen kennis zullen nemen van de wreedheden van de Holocaust - wat het betekent om te overleven en hoe onze mensheid afhankelijk is van tolerantie en wederzijds respekt”, dan is wachten geen optie.

©RdL
Trouw
8 augustus 2000