« Water: het nieuwe goud

VIJF JAAR NA 9/11 - ORALE VERTELLINGEN

10

sep

2011

Na vijf jaar is ‘11 september’ ingedikt tot een historische gebeurtenis. Het einde van een tijdperk, het begin van een ander. De brandende, o zo fotogenieke Twin Towers zijn symbool geworden voor van alles en nog wat: haat, patriottisme, menselijke horror, heroïek en - voor de aanhangers van complottheorieën - ultieme politieke corruptie.

Maar ‘9/11’ is niet alleen een gebeurtenis met politieke implicaties en economische gevolgen, het is ook een waaier van persoonlijke verhalen. Van mensen die getuige waren, wier levens veranderden, hun stad verminkt zagen worden. Deze verhalen komen meestal niet in geschiedenisboeken terecht. Maar hun fijnmazigheid en ongefilterde persoonlijke kleur kunnen een waardevolle aanvulling vormen op de vele mediaverslagen en officiële rapporten die in de toekomst zullen worden geraadpleegd over 11 september.

Het Oral History Research Office, onderdeel van de bibliotheek van Columbia University in New York, verzamelde zulke verhalen. Het bureau heeft sinds 1948 duizenden memoires op tape en transscripties gearchiveerd. Vroeger lag de nadruk op beroemdheden, maar sinds de jaren zestig is er veel meer aandacht voor de levensgeschiedenissen van ‘gewone’ mensen.

In de eerste weken en maanden na 11 september legden interviewers op audiotape de verhalen vast van honderden Newyorkers. In gesprekken van gemiddeld anderhalf uur vertellen zij over hun afkomst en achtergrond, werk en familie, hun ervaringen op 11 september zelf en de effecten ervan die ze wel of juist niet in hun leven zagen. Het geluidsmateriaal en de transscripties die ervan werden gemaakt, zullen in de nabije toekomst voor iedereen toegankelijk worden.

“Het gaat ons er om zowel onderzoeksmateriaal te verzamelen als om onvertelde verhalen vast te leggen”, vertelt directrice Mary Marshall Clark in haar werkkamer op het universiteitscomplex. “Al die verhalen zullen in de toekomst kunnen worden geraadpleegd door sociologen, historici, psychologen, journalisten en andere geïnteresseerden.” Met de meeste ‘vertellers’, zoals Clark ze noemt, werd ongeveer een jaar later een tweede interview gehouden. Niet met allemaal: sommige mensen bleken verhuisd en onvindbaar, anderen haakten af.

Zelf werd ik tweemaal geïnterviewd door een bevriende kennis van me, de van oorsprong Oostenrijkse Elisabeth Pozzi-Thanner, die al ruim twintig jaar in New York woont. Ik was er in 1996 gekomen, woonde in Brooklyn en leefde van journalistiek werk voor Nederlandse media. Elisabeth had ik eens gesproken voor een stuk over de Shoah Foundation, het grootscheepse holocaust getuigenissenproject geïnitieerd door Steven Spielberg, waar zij ook als interviewer aan had meegewerkt.
Nu waren de rollen omgedraaid. Dat beviel me maar matig. Het is lastig voor een professionele vragensteller louter antwoorden te mogen geven. Maar al pratend realiseerde ik me hoe turbulent de tijd was geweest tussen 11 september en ons eerste gesprek in januari 2002.

Het was allemaal begonnen met een telefoontje, op die prachtige nazomerdag. “Kijk je televisie?” vroeg een buitenlandredacteur van Trouw, ver weg in Amsterdam. Wat een maffe vraag, om tien voor negen ’s ochtends. Tuurlijk niet. Ik kleedde juist mijn zoontje aan dat even later naar de oppas zou gaan. Televisie dus aan: het tweede vliegtuig vloog de toren in. Mijn vriend schreeuwde. Ik fietste zo snel mogelijk naar de voet van de Brooklyn Bridge waar een werknemer van de plaatselijke telefoonmaatschappij me huilend vertelde dat hij mensen had zien springen.
In de weken daarna zagen mijn dagen er zo uit: rond zeven uur ’s ochtends op de fiets de stad in. Rondkijken, mensen spreken. Op mijn kantoortje een stuk tikken. Naar huis. Heel hard huilen. Even slapen. ’s Avonds kranten lezen en televisie kijken. Plannen maken voor de volgende dag.

In het voorjaar van 2003 sprak ik Elisabeth opnieuw. Inmiddels woonde ik weer in Amsterdam, maar op bezoek in New York had ik haar gebeld. Zij was juist bezig met haar tweede serie interviews. Later kreeg ik per post de transscripties van onze gesprekken toegestuurd. Ik kon me er niet toe zetten ze te lezen. De grote gele enveloppe belandde onderin een kast. Pas afgelopen voorjaar zocht ik ‘m toch maar op, na een aantal emailtjes van het Oral History Research Office met het vriendelijke verzoek na lezing een vrijwaringsformulier te tekenen opdat de tekst kon worden opgenomen in het archief. Met grote tegenzin ging ik er voor zitten. Het was raar om mijn eigen, deels al weer vergeten woorden terug te lezen.

Na 9/11 had ik ruim een maand geen seks. Maandenlang las ik geen romans en zette ik geen voet in een bioscoop – dat terwijl ik gewoonlijk 3 films per week zag. Zelfonthouding uit piëteit met de echte slachtoffers? Of ging al mijn emotionele energie zitten in het aanhoren en optekenen van andermans verhalen? Dat intense verdriet overal. De ‘missing’ briefjes die wekenlang overal, op lantarenpalen, telefoonhokjes en winkelruiten hingen, met foto’s van vrolijke mensen onder de kerstboom, op het strand, met een baby of verjaardagstaart. Ze vervaagden langzaam, door regen en wind.

Er waren ook mooie verhalen trouwens. Destijds schreef ik over de veerkracht en onverwoestbaarheid van Newyorkers, de prachtige menselijke monumentjes die in de stad spontaan ontstonden en de gemoedelijke hippiesfeer die je daar kon aantreffen. Eerlijk gezegd vormden de eerste weken na 11 september de meest inspirerende tijd van mijn leven. Toch had ik Elisabeth ook verteld hoe ik nog altijd in paniek raakte van laagvliegende vliegtuigen en steevast overstuur werd van beelden van de Twin Towers. Dat is nu, vijf jaar later, eigenlijk nog steeds zo.

Ik ben niet de enige die dat herlezen zo lang mogelijk heeft uitgesteld, zo blijkt. “Er zijn mensen die uiteindelijk helemaal niet tekenen”, vertelt Rosemary Newnham, assistent directeur van het Oral History Research Office. Soms ook om andere redenen. Zo was er een Afghaanse die meende dat ze in de interviews ‘teveel’ had gezegd en zich terugtrok. “Sommige mensen - altijd vrouwen trouwens - zeggen: ach, ik heb toch niks belangrijks gezegd, laat maar zitten.” Newnham probeert ze ervan te overtuigen dat hun verhalen, hoe triviaal ze ook mogen lijken, van waarde zijn. “Maar het ligt gevoelig, je kunt niet teveel druk uitoefenen. Wij worden heen en weer geslingerd tussen vertellers die tijd nodig hebben en geldschieters die het project graag zien vorderen.”
Volgens Newnham zijn er ook deelnemers die achteraf uitsluitend anoniem hun verhaal willen afstaan. Hoe dat moet, weet men nog niet. Dat de formalisering van een flink aantal interviews lang op zich laat wachten, heeft er toe geleid dat de oorspronkelijk in oktober geplande presentatie van het verhalenarchief wordt uitgesteld tot voorjaar 2007.

Voor diepgaande analyses van al dat persoonlijke materiaal mag het dan nog te vroeg zijn, Clark en Newnham, die alle verhalen kennen, hebben wel hun eigen eerste indrukken. Clark: “Ik denk dat in de media niet altijd genoeg aandacht is geweest voor de enorme angst voor repercussies die onder immigranten onmiddellijk na de aanslagen ontstond. Ik heb mensen horen zeggen dat ze, terwijl ze uit de gebouwen vluchtten, zich meer zorgen maakten over wat er nu met hun kinderen zou gebeuren dan of ze op tijd zouden ontkomen.”
Overigens had zij het liefst alle getuigenissen op video opgenomen. “Gezichtsexpressie voegt zoveel toe aan woorden. Maar daar hadden we het budget niet voor. We zijn heel snel aan het werk gegaan. En we hadden liever 300 audio-opnamen dan een kleiner aantal op video.”

Newnham werd vooral getroffen door het geworstel van veel mensen met de vraag hoe ze met hun kinderen over de aanslagen moesten praten. Dat thema kwam ook in mijn interviews terug: herhaaldelijk vertelde ik Elisabeth hoe blij ik was dat mijn zoon op 11 september net twee jaar oud was en nog geen wrede, onontkoombare vragen stelde. In een plaatselijk tijdschrift had ik gelezen hoe een wat ouder kind had gevraagd: “Pap, over de mensen die zijn gesprongen, stonden er trampolines beneden?” Wat moet je daar op zeggen?

Verder was Newnham gefascineerd door het feit dat meerdere vertellers, zelfs mensen die grote angst hadden ervaren, met een zekere weemoed vertelden over wat de hektiek van die dag losmaakte bij mensen: kameraadschap, verbroedering, spontane handreikingen tussen vreemden. Newnham snapt dat wel: “In een crisissituatie zijn mensen emotioneel geladen en open. En dingen lijken ineens heel simpel en helder. Ik kan me voorstellen dat je dat een beetje mist, in het dagelijkse gedoe van het leven, met koude koffie en rijen bij de bushalte.”
Dat had ik dus eigenlijk ook. In mijn transscripties lees ik terug hoeveel moeite het me kostte het daarover te hebben met familie en vrienden in Nederland. Daar, op afstand, had iedereen z’n politieke analyses al klaar en maakte iedereen zich voornamelijk druk over de cowboyretoriek van Bush en ‘dat stomme vlaggezwaai’. Was ik nog wel Nederlander, of meer Newyorker?

Elisabeth interviewde in totaal zo’n dertig mensen, voornamelijk vrouwen. Terugkijkend denkt ook zij dat veel mensen er uiteindelijk goed doorheen zijn gekomen. “De meeste vrouwen die ik heb gesproken zijn wijzer, slimmer geworden. Dat is goed om te zien.” Zij pleit voor een derde ronde interviews, juist om de grilligheid van rouw- en traumaverwerking in kaart te kunnen brengen.
Een van haar vertellers had op 11 september gezien dat de eerste toren werd geraakt en was onmiddellijk met de laatste metro bij het World Trade Center vandaan gevlucht. Feitelijk was ze er goed van af gekomen. “Toen ik haar een jaar na ons eerste gesprek opnieuw interviewde herkende ik haar eerst niet, zo dik was ze geworden, deels door antidepressiva. Maar een tijd later kwam ik haar ergens tegen en toen was ze weer de oude en vertelde ze hoe gelukkig ze was: ze was eindelijk begonnen aan de roman die ze altijd al had willen schrijven.”

Welk effect hebben al die gesprekken op Elisabeth zelf gehad? “Na zo’n interview ging ik altijd meteen slapen. Ik heb zelfs een keer drie dagen geslapen na een gesprek. En nu? Ik ben vroeger nooit naar vredesmarsen gegaan, hoewel ik er wel de leeftijd voor heb. Tegenwoordig loop ik ze allemaal af.”

Heeft het ook niet iets narcistisch, al die doorsnee Newyorkers die hun verhaal doen? Mary Marshall Clark kan daar hartelijk om lachen. “Laat ik eerlijk zijn, het is ons heel makkelijk gemaakt. Amerikanen staan altijd klaar om over zichzelf te praten.” Volgens haar lees je in sommige interviews met immigranten het culturele verschil: niet iedereen spreekt losjes over persoonlijke en emotionele kwesties.

De aanpak mag Amerikaans zijn, orale geschiedenis bestaat overal, zegt Clark. “Hoewel het elders in de wereld misschien minder om ik-ik-ik zal gaan.” Ze werkt op dit moment aan een handboek orale geschiedenis. Niet omdat ze de illusie heeft dat die manier van geschiedschrijving geweld zal voorkomen en ook niet omdat ze vindt dat de methodes van haar bureau overal moeten worden overgenomen. “Maar ik denk wel dat verhalenverzamelingen inzicht kunnen geven in oorzaken van geweld en de omvang van horror.” Wie weet brengt het hulpverleners in brandhaarden op het idee faciliteiten te creëren voor mensen die hun verhaal kwijt willen. Clark: “Dat is nu eenmaal universeel de eerste stap in het helingsproces.”

Daar heeft ze een punt. Hoe verdrietig sommige herinneringen me ook nog steeds maken, het was heel plezierig door de geduldige, onbevooroordeelde vragen van een ander mijn gedachten te kunnen ordenen, terug te blikken en mijn geworstel met loyaliteit te mogen beschrijven. Al die tegenstrijdige gevoelens hebben een plekje gekregen. Inmiddels koester ik die grote gele enveloppe.

©RdL
Trouw
9 september 2006

The September 11, 2001 Narrative and Memory Oral History Project