« Duane Street - drie maanden na 9/11Verontreinigde lucht rond Ground Zero »

NEW YORKSE BRANDWEERMAN PAT SULLIVAN

4

jan

2002

Op 11 september dacht Pat Sullivan, voor het eerst in de acht jaar dat hij bij de New Yorkse brandweer werkt, dat hij het einde van zijn werkdag niet zou halen. Bijna vier maanden later heeft hij nog steeds moeite te geloven wat er op die dag is gebeurd. Maar hij blijft gepassioneerd over zijn werk, ‘het mooiste beroep in de wereld.’

Pat Sullivan is een man van weinig woorden. Zoals veel brandweermensen, notoir gesloten voor de buitenwereld. Sommige brandweermannen zullen je vertellen dat ze in twintig jaar hun echtgenote nooit iets hebben verteld over hun werk. Praten doe je op je werk, in de kazerne waar wordt gekookt, gelezen, televisie gekeken, gekaart en lol gemaakt tot het alarm weer gaat.

New Yorkse brandweerlieden, historisch grotendeels afkomstig uit Ierse immigrantengemeenschappen, zijn veelal no nonsense types, gek op hun vak, die bij elkaar in de buurt wonen en hechte sociale groepen vormen. De meesten lijken zich nauwelijks raad te weten met de heldenstatus die ze sinds 11 september hebben en die ze ontelbare giften uit het hele land heeft opgeleverd. Kinderkunstwerken, quilts, brieven en banieren volgekrabbeld met zegeningen, gedichtjes en liefdevolle dankwoorden sieren iedere kazerne in de stad.

In de keuken van Engine 240, de kazerne in Windsor Terrace (Brooklyn) die op die dag twee mensen verloor, worden nog dagelijks versgebakken koekjes, maaltijden en kinderkaarten door buurtbewoners afgeleverd. Terwijl Sullivan verse koffie maakt stapt de kapitein binnen met een tas vol handgemaakte bekers die een pottenbakker heeft geschonken. “Ik beschouw mezelf niet als een held” relativeert Sullivan (34). “Maar het is fijn om te merken dat mensen ons waarderen en blijk geven van hun medeleven voor ons verlies.”

Op 11 september was Sullivan juist ten zuidwesten van de zuidelijke toren, als tweede door een vliegtuig geraakt, gearriveerd, toen hij een enorm lawaai hoorde. Het gebouw stortte in. Sullivan en zijn collega’s renden voor hun leven. Hij schuilde dicht tegen een vrachtwagen waar hij binnen een oogwenk werd omgeven door dikke zwarte rook. “Het was alsof ik onder water zat. Ik kon niet zien, horen of ademen.” Sullivan, getrouwd en vader van twee kinderen, bad om te mogen overleven. “Maar ik had er weinig hoop op. Dus ik bad voor mijn familie en voor een snelle dood.”
Toen de stofwolk lichter werd probeerde hij water te vinden om de brandende brandweerwagens te blussen, maar hij was verblind door het stof in zijn ogen. Iemand van het Rode Kruis heeft hem naar Brooklyn teruggebracht waar een dokter hem heeft behandeld.

Eén keer is hij teruggegaan naar de plek des onheils om te helpen puinruimen. Daarna wilde hij niet meer. De verwoesting terplekke kon hij nauwelijks bevatten. “Er moeten duizenden bureaus en stoelen in het WTC hebben gestaan, maar ik ben er geen een tegengekomen. Glas, beton, alles was verpulverd. Het grootste stukje glas dat ik heb gezien was ter grootte van een quarter (ongeveer een gulden, RdL). Het enige wat je zag was stof en staal.” Sullivan was voor die tijd nauwelijks politiek bewust, “ik wist niet eens dat er een land was dat Afghanistan heet.” Maar nu leest hij zoveel mogelijk in een poging te begrijpen waarom dit is gebeurd.

Geen enkele New Yorkse brandweerman (er zijn nog steeds weinig vrouwen in het corps) is de afgelopen maanden ongeschonden doorgekomen. Wie op 11 september niet zijn eigen huid heeft moeten redden heeft wel op Ground Zero gewerkt of collega’s, vrienden of familie verloren. 343 brandweerlieden kwamen op die ene dag om, een adembenemend aantal in de geschiedenis van de FDNY, die volgens de cijfers die sinds 125 jaar worden bijgehouden, gemiddeld 6 brandweermensen per jaar verliest.

Stap een willekeurige kazerne binnen en je hoort de aangrijpende verhalen. Zoals van een gepensioneerde brandweerman die op een dag zijn beide zonen, tevens brandweerlieden, verloor. Sinds 11 september is hij op Ground Zero geweest om hun resten te zoeken. Of van het lichaam van een brandweerman dat tot opluchting van zijn familie was gevonden en begraven voordat op basis van DNA-informatie werd vastgesteld dat het het lichaam van zijn collega betrof. Of van de uitputtingsslag die de eindeloze reeks begrafenissen en herdenkingsdiensten is geweest.
Een voormalige luitenant die twee jaar geleden na 21 dienstjaren zijn vak verliet en tientallen omgekomen brandweermensen kende, besloot op een gegeven moment bij begrafenissen buiten te blijven en niet langer de ceremonies bij te wonen. “Mijn vrouw condoleert de weduwes, zelf kan ik er niet meer tegen.”

Dat moet z’n weerslag hebben op het werk. Hoe is de sfeer in de kazernes? Een collega van Sullivan die in de koelkast staat te rommelen mengt zich in het gesprek. “We zijn prikkelbaarder. Er zijn veel meer spanningen dan er ooit zijn geweest”, zegt Eddy Witkowski, die erbij komt zitten. “Maar we lossen het altijd snel weer op” haast Sullivan zich er aan toe te voegen.

Voor het New Yorkse politiecorps (dat 23 werknemers verloor) is inmiddels een programma opgesteld dat alle politiemensen helpt bij het psychisch verwerken van de gebeurtenissen op 11 september en de nasleep ervan.
Voor de brandweer is dat nog niet gebeurd. Maar Sullivan en Witkowski zeggen er geen enkele behoefte aan te hebben. “Politiemensen werken veel individueler, hooguit met een partner”, zegt Sullivan. “Wij werken altijd in een groep, vormen een soort familie. We praten ontzettend veel met elkaar. Als iemand zich raar gedraagt dan gaan we met hem praten.”

Witkowski, die nog steeds last heeft van nachtmerries: “Ik heb heel wat gehuild met mijn maten. Ik merk dat de begrafenissen, de mogelijkheid om afscheid te nemen, een belangrijk onderdeel zijn van mijn ‘therapie’.”
Speelt de machocultuur binnen de brandweermacht een rol in hun weerzin tegen psychische hulp? Ja, geeft Sullivan toe. “Maar ook de stoere types praten onder elkaar.”

Net als de meeste New Yorkers had Sullivan niet kunnen dromen dat de geliefde Twin Towers zouden instorten. Maar hij is ervan overtuigd dat sommige brandweermensen die de gebouwen ingingen dat wel hebben geweten. Zijn er inschattingsfouten gemaakt? Sullivan denkt van niet. “Nee, we zouden nu precies hetzelfde weer doen. Het is niet je vak om, wanneer de situatie een beetje griezelig wordt, buiten te blijven staan. Je wilt er op af.”

Op de grote keukentafel ligt de laatste editie van het door de vakbond uitgegeven kwartaalblad ‘WNYF’ - With New York Firefighters. Alle portretten van de omgekomen brandweerlieden staan er in, verspreid over 15 pagina’s. Sullivan bladert erdoor en wijst op diverse mannen die vanonder petten of helmen of blootshoofds grijnzend de camera inkijken. “Met hem heb ik de opleiding gedaan. En die woonde hier in de buurt en laat tien kinderen na. Als we daar langsgaan noemen ze ons ‘papa’.
Dit was een kapitein die drie jaar geleden bij een brand door een vloer viel en beide benen verbrandde. Het heeft hem twee jaar gekost om te revalideren. Toen was hij eindelijk terug op het werk en kwam hij om. En dit was de hoogste man in uniform die na het instorten van de eerste toren de tweede is ingerend om zijn mannen eruit te halen. Hij wist dat ook dat gebouw naar beneden zou komen.”

Ondanks alles spreekt Sullivan nog steeds vol passie over zijn vak. “Volgens mijn moeder wist ik al op piepjonge leeftijd dat ik brandweerman wilde worden. Ik zeg altijd ‘dit werk is voor mij gemaakt.’ Ik hou van dit vak en zou niets anders willen doen. Ik weet dat deze mannen hun leven zullen riskeren om mij te redden en dat ik hetzelfde voor hen zal doen. Dat is een geweldig gevoel. Waar zul je dat, behalve in het leger of binnen families, elders aantreffen?”

Toch heeft de nabijheid van de dood, op 11 september, z’n sporen nagelaten. “Ik kijk niet anders tegen mijn werk aan, ik accepteer nog steeds het risico dat ik in functie sterf”, zegt Sullivan. “Maar op persoonlijk vlak heeft het wel iets met me gedaan. Ik waardeer het leven meer, want ik ben me meer bewust van mijn sterfelijkheid. Ik weet dat ik ooit doodga. Ik hoop alleen dat dat pas gebeurt als ik 90 ben.”

©RdL
Trouw
4 januari 2002